auditiek lammers - specialist in hoortoestellen

auditiek lammers webshop

Om onze service te vergroten kunt u via de webshop diverse artikelen bij ons bestellen. Makkelijk, snel en betrouwbaar.
Staat er iets niet bij stuur dan een mail naar info@auditiek.nl of bel met één van onze winkels.

auditiek lammers staat garant voor kwaliteit, zorg en aandacht

Indien er sprake is van een verminderd gehoor, al dan niet geconstateerd door uw (KNO)arts of Audiologisch Centrum, dan bent u bij Auditiek Lammers op het juiste adres. Want bij ons staat u centraal. Uw wensen en verwachtingen, maar even belangrijk, uw leefomstandigheden dienen als uitgangspunt voor een goede en betrouwbare hooroplossing.

auditiek_masthead_12
 

audiometrie

Er zijn verschillende soorten hoortests. De meest uitgevoerde hoortest is de afname van het toondrempelaudiogram. Met deze gehoortest wordt de gevoeligheid van het oor getest voor (pure) tonen. De gegevens van deze hoortest zijn belangrijk voor het aanpassen van een hoortoestel.

Daarnaast wordt vaak ook een spraakaudiogram afgenomen om te zien wat het gehoor maximaal kan presteren bij het verstaan van woorden. Deze hoortest geeft inzicht hoe de cliënt verstaat in stilte.

Audiometrie

Voordat er een betrouwbaar audiogram gemaakt kan worden dient de gehoorgang en het trommelvlies gecontroleerd te worden middels otoscopie. Met otoscopie kan de kno-arts nagaan of hier een oorzaak voor uw gehoorklachten te vinden is. Bijvoorbeeld: teveel oorsmeer of een gescheurd trommelvlies.

Otoscoop

Alle vestigingen van Auditiek Lammers beschikken over een video otoscoop. Onze audiciens voeren een globale inspectie van uw gehoorgang en trommelvlies uit met een ( video ) otoscoop. Dan wordt gesproken van otoscreening.

type audiogram

Het toondrempelaudiogram ...

Bij de afname van een toondrempelaudiogram, krijgt de cliënt gedurende de hoortest een hoofdtelefoon op of wordt er een blokje dat kan vibreren tegen het hoofd geplaatst. De hoofdtelefoon en vibratorblokje worden aangesloten op een audiometer. Met een audiometer kan nauwkeurig de toonhoogte en luidheid van het aangeboden toontje worden aangepast en aangeboden.

Audiometrie 1

Via de hoofdtelefoon of blokje krijgt de cliënt dus toontjes aangeboden bij verschillende frequenties (toonhoogten) en met verschillende intensiteiten. Sommigen toontjes hoort hij wel en andere toontjes niet. Telkens wanneer hij het aangeboden geluidje hoort, wordt hij gevraagd hiervan blijk te geven. Soms gebeurt dit door op een knopje te drukken, maar er wordt ook wel gevraagd even de hand op te steken of gewoonweg 'ja' te zeggen. Met behulp van deze hoortest worden bij verschillende frequenties de hoordrempel verkregen. Dit is het geluidsniveau waarop een toontje net wordt gehoord.

Dergelijke gehoortests worden meestal uitgevoerd in speciale cabines, die er voor zorgen dat geluiden van buiten zo goed als mogelijk gedempt worden. Soms zijn dergelijke cabines zelfs dubbelwandig en voorzien van extra dikke deuren. Een hoortest die uitgevoerd wordt in een ruimte waar veel achtergrondlawaai is, is over het algemeen niet zo betrouwbaar. Zelfs zacht verkeerslawaai kan de meting negatiever beïnvloeden dan vaak wordt gedacht.

Met de hoofdtelefoon wordt in deze hoortest de luchtgeleidingsdrempel bepaald. Gemeten wordt hoe goed de geluiden doorgegeven worden via de lucht in de gehoorgang naar het trommelvlies, de gehoorbeentjes, de vloeistof in de cochlea (het slakkenhuis) en vervolgens via de zenuwen naar de hersenen.

Met het vibratorblokje wordt de beengeleidingsdrempel gemeten. Het vibratorblokje brengt het bot van het hoofd in trilling, waardoor de trillingen direct worden overgebracht en bij de cochlea (het slakkenhuis) aankomen. De beengeleidingsdrempel zegt dus iets over het zogeheten perceptieve gedeelte van het gehoororgaan. Het gelijk liggen of juist verschillen van de lucht- en beengeleidingsdrempel zegt iets over het functioneren van het middenoor.

Zoals gezegd levert het audiogram een grafische voorstelling van de absolute gehoordrempel van een persoon als functie van de frequentie. De laagste intensiteit die nog net wordt gehoord, wordt als drempel genomen. Deze drempel wordt bepaald bij verschillende frequenties. Bij octaafaudiometrie gebeurt dit bij 125, 250, 500, 1000, 2000, 4000 en 8000 Hz.

In een audiogram betekent de 0 dB lijn de drempel van de normaalhorende. De rechte lijn in onderstaande figuur laat het audiogram van een goedhorende zien (luchtgeleiding). Het audiogram wordt bij een goedhorende gevormd door een rechte lijn. De gepresenteerde lijn is echter een gemiddelde. Ook bij goedhorenden zijn variaties te zien. Sommige goedhorenden zullen een betere drempel hebben en anderen een iets slechtere bij een of meerdere frequenties.

audiogram goedhorende

De hier geteste persoon heeft dus bij alle geteste frequenties (op de horizontale as en uitgedrukt in kHz=kilo Hertz) 0 dB (verticale as) verlies. Wanneer het gehoor slechter wordt zal de lijn meer naar beneden verschuiven. Hoe lager de lijn dus ligt hoe slechter het gehoor.

In onderstaande figuur is een audiogram afgebeeld met daarin de luchtgeleidingsdrempel van een slechthorende voor het rechter oor. De luchtgeleidingsdrempel voor het rechteroor wordt standaard met rondjes aangegeven, die van het linker oor met kruisjes (X).

audiogram slechthorende

Het gehoorverlies wordt nu uitgedrukt in het aantallen dB's verschil ten opzicht van de 0 lijn - de normaalhorende. De slechthorende in bovenstaande figuur heeft dus bijvoorbeeld bij 125 Hz (.125 kHz) 20 dB verlies, bij 500 Hz 10 dB verlies en bij 4000 Hz een kleine 70 dB verlies.

audiogram klinkers

Het spraakaudiogram ...

Bij het toondrempelaudiogram wordt gekeken naar de gevoeligheid van het oor: bij welke minimale intensiteit kan een geluid met een bepaalde frequentie nog net worden gehoord. Naast dit detecteren (horen) is het eveneens van belang of spraak ook daadwerkelijk verstaan wordt. Om nu na te gaan hoe goed het oor en de hersenen in staat zijn om geluiden te analyseren en om te zetten in betekenisvolle delen, wordt het spraakaudiogram afgenomen. Hiermee wordt gekeken naar hoe goed het oor verschillende klanken van elkaar kan onderscheiden, met andere woorden hoe goed de spraakverstaanvaardigheid is. Dit van elkaar kunnen onderscheiden van klanken wordt ook wel discrimineren genoemd. Bij het maken van een spraakaudiogram wordt gekeken naar het verband tussen de geluidssterkte waarmee spraak wordt aangeboden en hoe goed spraak wordt verstaan. Voor het maken van een spraakaudiogram kunnen verschillende testmaterialen worden gebruikt. Over het algemeen worden woorden gebruikt met één lettergreep. Voor deze test zijn door wetenschappelijk onderzoekers speciale lijsten samengesteld met 10 of 20 woorden. Deze woordlijsten zijn veelal fonetisch gebalanceerd, wat wil zeggen dat de gebruikte fonemen met dezelfde percentages voorkomen als in de omgangstaal. Deze woorden staan tegenwoordig op een CD. De CD speler staat aangesloten op een audiometer. Hiermee wordt de intensiteit bepaald waarmee de woordjes worden aangeboden. Ook kan desgewenst het oor dat niet getest wordt, worden gemaskeerd.

De cliënt krijgt gedurende de test een hoofdtelefoon op. Via de hoofdtelefoon krijgt hij de lijsten met woordjes aangeboden bij verschillende intensiteitsniveau's. De cliënt wordt gevraagd de woordjes na te zeggen. Meestal wordt begonnen bij een hoge intensiteit waarbij alle woorden nog te verstaan zijn. Vervolgens wordt de intensiteit met telkens 5 dB verlaagd, totdat de cliënt niets meer verstaat. Het percentage woorden (of klanken) dat goed wordt verstaan bij de diverse intensiteiten wordt genoteerd en uitgezet als functie van de intensiteit. In onderstaande figuur staan de resultaten van een spraakaudiogram voor een goedhorende gemeten met eenlettergrepige woorden ook wel monosyllaben genoemd. Dit wordt gezien als de normaalcurve.

spraakaudiogram normaal

Bij 10 dB is de score nog 0% en het percentage goedverstane woorden of klanken neemt over een intensiteitsbereik van zo'n 30 dB toe tot 100%. De intensiteit die nodig is om 50% van de woordjes goed te verstaan wordt de drempel voor het verstaan van spraak genoemd. In het Engels heet deze drempel SRT: Speech Receptor Threshold. Wanneer er ander testmateriaal gebruikt wordt heeft dit zijn invloed op de steilheid van de curve. Voor zinnen zal de curve steiler lopen: bij een lagere intensiteit is reeds 100% te verstaan. Door de steilheid van de curve is het 50% punt nauwkeuriger te bepalen en is deze test voor het bepalen van de spraakdrempel beter geschikt. Echter voor het bepalen van het discriminerend vermogen van het oor is de test met de woordjes juist beter. Wanneer de cliënt namelijk maar 40% van de woorden verstaat, kan hij reeds 90% van de zinnen goed verstaan. Dit komt omdat de (fonetische) informatie die in de zin besloten ligt groter is dan direct voor het verstaan ervan nodig is. Losse woorden geven dus een beter inzicht hoe goed het oor in staat is spraakklanken van elkaar te onderscheiden. In onderstaande figuur zijn een aantal curven weergegeven zoals deze zich kunnen voordoen bij slechthorendheid.

spraakaudiogram 123

Wanneer curve I gevonden wordt is het mogelijk dat we te maken hebben met een geleidingsverlies: de curve loopt parallel aan de standaardcurve van een goedhorende. Door de intensiteit van het geluid 20 dB te verhogen, wordt het probleem van een niet goedverlopende geleiding (verzwakking) van het geluid verholpen. Dit geldt over het gehele verloop van de curve. Bij geleidingsverliezen wordt altijd een score van 100% gehaald. Echter het kan ook zijn dat deze curve voorkomt bij een slechthorende met een perceptief verlies. Ook is het mogelijk dat een score van 100% niet gehaald wordt zoals in curve II en III. Hoe hard het geluid ook gemaakt wordt 100% wordt nooit gehaald. Dit doet zich voor bij een groot percentage slechthorenden met een perceptief verlies. Het kan zich zelfs voordoen dat de curve terugloopt wanneer het geluid een bepaalde intensiteit overschrijdt zoals bij curve III. Dit wordt ook wel regressie genoemd. Dit verschijnsel kan echter ook worden veroorzaakt doordat de woorden met een versterker worden aangeboden die geen rekening houdt met het verloop van het gehoorverlies. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld bij een hoogtonig gehoorverlies de geluiden in het laag reeds veel te veel worden versterkt, terwijl in het hoge tonengebied er nog onvoldoende wordt versterkt. Er kan hier een verschijnsel optreden waarbij spraakklanken gemaskeerd worden door de voorafgaande (opwaartse maskering).

In het bovenstaande kwam naar voren dat het verloop van het spraakaudiogram iets kan zeggen of het gehoorverlies wellicht een geleidings- of perceptiefverlies is. Het spraakaudiogram speelt bij het bepalen van dit onderscheid echter een ondergeschikte rol. Wel geeft het spraakaudiogram interessante informatie waarmee een eerste diagnose kan worden gemaakt tussen cochleaire en retro-cochleaire verliezen; verliezen die respectievelijk veroorzaakt worden door een probleem in het slakkenhuis zelf of juist in het gedeelte dat na het slakkenhuis komt. Bij retro-cochleaire slechthorendheid wordt over het algemeen een wel zeer slecht spraakaudiogram gevonden. Wanneer zich regressie voordoet en de score sterker afneemt dan 25% is er over het algemeen sprake van een retro-cochleaire pathologie. Blijft de afname onder de 25% dan kan dit wijzen op een cochleaire component.

 

TekstBron Audiogram:
drs. René G.H. van der Wilk
website: www.hoorzaken.nl/spraakaudiogram.htm

Logo 140

wij leveren o.a.

Hoortoestellen
Gehoorbescherming
Zwemstukjes
Ringleidingen
Infrarood systemen
Versterkte telefoons
Wek- en waarschuwings systemen
FM systemen